De collatierechten van Marum.

Genealogie familie de Grijs-Alserda.

 

Brief aan de koning:

De minuut van het verzoek-

schrift van Jan de Grijs is

bewaard gebleven en luidt als

volgt:

Aan zijne Majesteit den Koning van   Holland.  Sire . Geeft met onderdaanigen Eerbied te   kennen Johannes de Grijs,Heer en   Eigen erfde van de Adelijke Hofsteede de Linde genaamt,  gelegen in het Westerquartier van het departement Groningen op de grenzen van Vriesland, hoe dat opgemelde Adelijke Hofsteede,    met alle deszelvs landerijen, boschagien annexen en toebehoren  met alle de daartoe behoorende  Heerlijkheeden en Gerechtigheden als jagten,visscherijen overregten ziel en waterrechten het jus   patronatus et collationis der kerke van Marum gestoelten legersteeden in de kerk in den  jaare 1623 door  des Reclamants overledene  echtgenootes, de freule Johanna  Maria van Alserda,voorouderen is aangekogt van Jonkheer Dodo  van Inhuisen en  Kniphuisen,blijkens de hiernevens gevoegde    overdragtsbriev onder copia authentique sub A: dat zekerd het  tractaat van Reductiie de Hervormde of gereformeerde  Godsdienst met    uitsluiting der Roomsch Catholijke  en andere  geloofsgevoelens   heerschend zijnde verklaard, des Reclamants voorouderen en  voorzaaten van de gevoelens der Rooms Catholijke kerk niet  willende afwijken zederd die tijd tot op dit  tijdstip het jus  patronatus  et   collationis te Marum  niet hebben    mogen  uitoeffenen, weshalven   overeenkomstig het Decreet van  Uw    Majesteit ten opzigte der reclames voor kerken, kerkelijke   gebouwen en derzelver goederen gegeven in het koninglijk  paleis  op het Loo den 10 van slagtmaand 1800 en negen  Reclamant met  onderdanigen Eerbied  de vrijheid neemt  tot  de voeten van Hoogstdeszelvs Troon te naderen, met  nederige  bede dat het  Uwe Majestet  behaagen moge deeze aan te neemen  voor reclame  den  Reclamant in de   Regten aan des  Reclamants bezittingen   verknogt, te herstellen.

De Beslissing op het verzoek-

schrift van Jan de Grijs werd

pas in 1826 genomen,  getuige

het volgende:

Extraxt uit de Registrature van   geregtigheden en Heerlijkheden in  het Westerkwartier ter griffie van de Edele Groot Achtbare Heeren Staten der provincie Groningen berustende   Grietenije van Vredewolt tot Marum.   Den 25 febr.1750. De Heer Aemilius     Alserda praetendeert alle sodane   overregten, jagten en visscherijen op   het corpus de Oosterlinde vallende, so als ingevolge  ankomstbrieff in dato den 12 december 1623 en   scheidbrieff  in dato den 3 junij 1714 kan verdedigen. ngevolge resolutie van de Gedeputeerde Staten  der Provincie Groningen van den 3 april 1826 no 21 zijn de regten, bij nevenstaande post  vermeld overgaan eerst op Arnoldus   Ludovicus van Alserda, kracht   scheidakte van den  26 april 1751 en van den 6 mei 1751; vervolgens op Johanna   Maria van Alserda, kracht scheidakte van den 3 mei 1796; overgetekend op Helena Alegonda Maria de Grijs Ehevrouw van en ten dezen geadsisteerd en geautoriseerd   door Cornelis de Grijs,landeigenaar op de Linde onder Marum, kracht scheidakte van den 14 september   1825. Zijl en Bourreghten tot Marum:  De Heer Emilus Alserda praetendeert een zijl en Bourregt tot   Marum op de Oosterlinde vallende volgens versegelingen in datis den 12  December 1623 en 3 junij 1714.   Ingevolge resolutie  van de   Gedeputeerde Staten der Provincie   Groningen van den 3  april  1826 no 21, zijn de regten bij nevensstaande post   vermeld, overgegaan eerst op Arnoldus   Ludovicus van Alserda, enz, als boven. Collatien tot Marum:  Den 25 febr.1750. De Heer Aemilius   Alserda praetendeert het regt van   collatie mitsgaders gestoeltens en   legersteden in de  kerk  tot Marum,   vallende op het corpus de Oosterlinde,voort  de  poort op het schathuis de Oosterlinde genaamt hem  toebehoorende volgens ankomstbrieven  in datis den 12   December 1623 en 3 junij 1714 Ingevolge resolutie van de     Gedeputeerde Staten der Provincie   Groningen van den 3 april 1826 no 21 is het collatieregt bij nevensstaande  post  vermeld   overgegaan eerst op Arnoldus   Ludovicus van Alserda, enz. als  boven.
Beslissing op het verzoekschrift:

Twee stukken betreffende ''De

Linde'' onder Marum::

Regelment wegens d Heer pastoor   Doljen guldenstratije of  deself   Cappelaan d Roomsgesenden te Marum waer nae d  Heer Cappelaan ter eener zijede en d Roomsegesenden teer ander   sijeden sullen hebben te Regeleeren Artiekel 1.  Daet den Eerwerden Heer Cappelaan van Gulden Stratie  geholden sal  weesen op het hues d Lijende tot Marum te koomen twalf malen des jaers te weeten d Erstie Sondag van de mandt   of d lastie doge naer goedtkueren van zijen   Eerwerde om dienst vormiddagh en predekatje en naemeddag  Cattigessemus te holden voerders sal zijen Eerwerde geholden weesen daet beije alden daer een sijeke mogtie komen daer  gevaer mogtie beij weesen dal de Heer voornoemt op kennes daervan hebbende bekoomen daer moeten koomen, alsmede van Gelieken daer een frouw bevalt en de kraam  het kendt te moeten Doopen als mede van trouwgevallen en sal desen  Eerwerde d Reijse  moeten op zijen eijgen kosten. Artiekel 2.  Daer en tegens sal de gementie te   Marum voernamentliek  dese    naervolgende desiars aen den   Eerwerden Heer vooernompt van   Gulden  Stratie vooer dese twalf   diensten moeten betalen  de somma van vijeftige Carel guld jeder verendelst  jaers een geregtie verde pardt van boven  genomde  somma moeten betalen daer en booven En sijeke te bedenen  3  guldens een kindt te Doopen ook 3  guldens en een paer te  trouwen 5  guldens. Een mandelieke dienst of  jaergetide 1  gulden waer vooer weij ons  verbenden namentliek  deesen.Dese te eersten Arnoldus  Lodeweikus van  Alserda sal  vooerts geholden weesen den Eerwerde Heer vooer nompt  behoorliek bedde en tawel te   verschaffen en besorgen Johannes Besun                   geft         10--''--’’                         Jan Gerardus   Alserda                 geft         10--''--’’                    Ferdenandus   Alserda                 geft         10--''--''                    Gerardus Alserda                 geft         10--''--''                    Egbertus Alserda                 geft         10--''--''                    Geerdt Weijdts                 geft            3--''--’’ Tot meder waerheidt desen hebben weij het selwe  eggenhandige  vertjekent op het hues de Lijende onder Marum den april 1759. Wij ondergheschrewen Egbertus Alserda  en sijen huesvrouw  Fenneghen Jans Eleden wonaghtig te Marum bekennen bij desen verhuert te hebben aen de  E   Hijendrick Teijes en sen  frouw  Romtien Beerents Eleden ook te Marum wonaghtigh  geliek de selw volgens vertiekengh bekennen  te hueren Een platse met de behuesenghe Exsempt de voerstie kamer met  het sudderhof     nordewaers aen het twede meddel padt verders de landerien soo aen het hues  behorende worende  doer de verhuerder selwer bewondt en gebruekt en dat  voer de tijdt van drije jaren begenende op maij 1700 negen  en seventigh eb endengen op maijes 1700  twe en  taghgentigh doende jarlijcks te huer de somma van aght en  taghgent  segge 88 gulden en alle jaren tewe  stije dack en  de timmerman  te beuppren en de kost tegewen alsmede de verhuerder zijen toerf te hues te mennen voerders bedenght de huerder  torf  te grawen tot hues nodreft daer  en boven  sal de huerder dragen alle landts lasten en swarigheden de  daer op sen geene exsempt en jes bedonghen daet de  meijer bij het verlaten van het landt   nedt meet rogge magh zaijen als  aght mudde alles onder verbantie van alle huerders goederen. Dit met  subbresse van alle hooghe en  laghe reghten en geregten tot naerkomenghe desen seijen  her twe geluckludende van gemaekt  en vertiekent op den  9 maert  1779.   Egbertus Alserda      Hindrik Teijes     
Reglement: Huurcontract:
Vanouds waren de collatierechten van Marum  in het bezit van de Heer van Nienoord, cq van  de eigenaar van Corpus de Linde onder    Marum. Na een groot aantal wederwaardigheden, waar hier niet op wordt ingegaan, komt het Corpus in 1623 in het  bezit van Jan Bezuin. Laatstgenoemde overleed in 1653; zijn schoonzoon Emilius  Otthonides erfde het Corpus; na diens overlijden in 1661 werd zijn  dochter Magdalene zijn erfgenaam. Zij was gehuwd  met Lollius Gally Alserda, utriusque iuris  doctor; deze was echter van katholiek   gevoelen, waardoor nogal wat complicaties  onstonden. De Alserda's  raakten hun  collatierechten c.a dan ook kwijt.  Een latere  erfgenaam, Jan de  Grijs, doet ten tijde van  koning Lodewijk Napoleon een poging zijn rechten te herwinnen. Cornelis  de Grijs, destijds een vurig patriot, werd dus na het herstel van onze onafhankelijkheid uiteindelijk hersteld  in de oude rechten.  Veel succes heeft hij met zijn collatierecht evenwel niet gehad. Op een vervolgens plaatshebbende vergadering der overige collatoren  werden hem zijn door hem ingediende stukken teruggegeven met de  opmerking dat hij wel kon gaan! Enig rumoer heeft dit wel gegeven,  maar de zaak bleef zoals het was.

Fragment-genealogie van de hand van Jan de Grijs.

(Een  probleem bij dit fragment doet zich voor: Het is de vraag of de in dit fragment genoemde Clasien Clasens Suttema  wel een Suttema was; een gewaarmerkte kopie van de huwelijks-voorwaarden  dd 12 maart 1722  -de voor- waarden  zelf werden  27 mei 1685 getekend geeft als namen der echtelieden: Joannes Pellenrock en Claasien Claasens Huttema.) 
(Bron: Tijdschrift voor genealogie en wapenkunde (1969),  Dr. L.J . Hut, en Rijksarchief Groningen)
Volgende pagina > Volgende pagina >